Grüss Gott, heer. Het weer is zo mooi, het zonnetje schijnt, ik dacht ik ga een korte wandeling over de schone Thuringse heuvels maken. Luisteren naar vogels, bloemetjes plukken. Misschien zijn er al paddestoelen. Die lust u zo graag.
Daar geloof ik niets van. U kan slecht liegen, u verbergt iets voor me.
Nee, nee, niets heer. Ik heb niets bij me, edele heer. Ga naar huis, het eten wacht op u.
Wat heeft u daar onder uw mantel?
Niets, echt niets. Uw honden kunnen u geen minuut meer missen. Ga naar huis.
Laat zien edele vrouwe, ik zie dat u iets van plan bent.
U weet dat uw paard niet van stilstaan houdt. Kijk, hij wil naar huis, hij ruikt zijn stal al. Ik loop meteen achter jullie aan.
Hier edele vrouwe, laat zien, geen geheimen voor me houden. U ging zeker weer die nietsnutten en armoedzaaiers in het dorp helpen. Heeft u weer lekkere hapjes van mijn tafel voor ze meegenomen? Laat zien!
Ik…

Geen opmerkingen:
Een reactie posten