Vorige week was ik twee dagen in Pionki.
Pionki ligt ruim honderd kilometer ten zuiden van Warschau en telt een kleine twintigduizend inwoners. Het veranderde tussen beide wereldoorlogen van een gehucht in een stad nadat een munitiefabriek zich er in 1923 vestigde. Die ontwikkelde zich na de Tweede Wereldoorlog tot een chemische fabriek waar behalve munitie onder veel meer ook plastic, lijm, springstof, celluloid poppetjes, kunstleer en grammofoonplaten werden geproduceerd. In zijn hoogtijdagen verschafte Pronit, zoals de fabriek vanaf 1958 heette, zo’n beetje de hele beroepsbevolking van Pionki werk. Na de val van het IJzeren Gordijn werd Pronit geprivatiseerd en viel het uiteen in een aantal afzonderlijke bedrijven.
Pronit heeft een onuitwisbaar stempel op Pionki gedrukt. Woningen, kantoren, het zwembad, het ziekenhuis, appartementencomplexen, de sporthal, de brandweerkazerne, winkels, het voetbalstadion, het cultureel centrum, scholen: allemaal werden ze in opdracht van Pronit gebouwd.
De planmatige opzet van de drie nederzettingen (‘koloniën’) is weliswaar aangetast maar nog steeds herkenbaar.
Dé attractie van Pionki, voor mij althans, is het voormalige complex van Pronit. Het beslaat vele vierkante kilometers, merendeels begroeid met bossen. Nog niet eens zo heel lang geleden was het verboden terrein. Een dubbel hekwerk van enkele meters hoogte, behangen met prikkeldraad, moest pottenkijkers en andere ongenode gasten buiten de deur houden. Niet geheel onbegrijpelijk op een terrein waar werd gewerkt aan en met raketten, springstof, uitermate giftige en licht ontvlambare stoffen.
Restanten van het hekwerk en de toegangspoorten staan nog steeds overeind. Op het voormalige Pronitterrein zijn nieuwe bedrijfsgebouwen verrezen. Gelukkig barst het er ook nog van gebouwen uit de Pronittijd en zelfs uit de vooroorlogse periode. Op een heel enkele uitzondering na verkeren ze allemaal in verregaande staat van verval. Veel staat op instorten, misschien nog wel meer is al ingestort.
Gehavende karkassen.
Al jaren geleden verdwenen ruiten.
Gebouwen als gebitten waarin hier en daar een tand ontbreekt.
Paternalistische teksten uit vervlogen communistische tijden (‘Geen enkele uitkering kan de mogelijkheid om te werken vervangen’).
De natuur die z’n even prachtige als verwoestende werk doet.
Een haltebordje van de bedrijfsbus die al een jaar of veertig niet meer rijdt.
Een majestueuze schoorsteen verwikkeld in een ongemeen felle tweestrijd met klimop.
Een andreaskruis dat tegen beter weten in blijft volhouden dat er nog een spoorlijn over het terrein loopt.
Bedrijfshallen met vrij zicht op de hemel.
Bouwwerken waarvan je je afvraagt waarvoor ze ooit hebben gediend.
Dreigend ogende maar van alle gevaar ontblote meterkasten.
Een watertoren die z’n uiterste best doet boven de bomen te blijven uittorenen.
Begraven verhalen, onvoorwaardelijke kameraadschap, vergeten leed.
Een idylle.
Ik wil terug naar Pionki.


















Pronit, Pionki, Tricolore.
BeantwoordenVerwijderenDit las ik, Wim L.